Veel Friezen hebben landschapspijn

02-11-2016

Een zee van licht en geluid. Zo herinneren oudere Friezen zich het weidelandschap. Dat moet weerterugkomen. Maar hoe?

             

Heimwee naar de boerenakker van weleer

 

Door onze correspondent

KARIN DE MIK

Wieuwert. In Friesland woedt momenteel een felle discussie over de teloorgang van het weidevogellandschap. Het boerenland vol weidevogels, insecten en kruiden maakte de afgelopen decennia plaats voor monotoon raaigras. De vraag die wordt gesteld is: “Van wie is het landschap?” Alleen van de boeren of ook van de burgers? Het grasland is een groene woestijn, waaruit al het leven is verdwenen, vindt de Engelse bijenprofessor Dave Goulson, die onlangs een lezing gaf in Leeuwarden. Hij noemt het boerenland “silent”. Geen insecten, geen bloemen, steeds minder weidevogels. De Friese trekvogelbioloog Theunis Piersma sluit zich bij hem aan. De Friese boeren produceren voor de wereldmarkt, maar dat gaat ten koste van de biodiversiteit en een gezond ecosysteem, vindt hij. Door het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen wordt de bodem vergiftigd. Dat leidt tot minder bloemen en kruiden. “En dat betekent minder insecten en minder voedsel voor de weidevogels. Is het je wel eens opgevallen dat je een paar jaar geleden altijd je autoruiten moest schoonmaken van de dode insecten die er tegenaan waren gevlogen? En nu? De ruiten blijven schoon, omdat er geen insecten meer zijn.” Het weidelandschap is een kunstmatig industrielandschap geworden, meent Goulson. “Leeuweriken zie je niet meer.” Andere weidevogelsoorten nemen in aantal af, zoals de grutto. Zowel Goulson als Piersma voelt landschapspijn. Beiden werden vorig jaar met elkaar in contact gebracht door journalist/columnist Jantien de Boer van de Leeuwarder Courant. In een onlangs gepubliceerd persoonlijk verhaal in haar krant beschreef ze het verdriet dat ze voelt als ze naar het verindustrialiseerde Friese landschap kijkt. Haar artikel riep herkenning op bij veel Friezen, maar lokte ook felle reacties uit van veehouders. Die voelden zich aangevallen, want voeden zij niet de wereld? Ze werken keihard voor lage melkprijzen en krijgen nog eens de schuld van het verdwijnen van het kleur- en kruidenrijke boerenland.

Volgens Klaas Sietse Spoelstra van “Kening fan ‘e Greide” –een burgerinitiatief van bezorgde burgers, boeren, wetenschappers en natuurliefhebbers, opgericht in 2012 met als doel de biodiversiteit in het boerenland terug te brengen- helpt het niet om boeren de schuld te geven. “Zij zitten in het systeem opgesloten.” Ze moeten immers blijven produceren om brood op de plank te houden en zitten klem tussen diverse wetten en regels. Er moet gezamenlijk een oplossing worden gezocht waarbij een gezond, renderend bedrijf en biodiversiteit samengaan, vindt hij. Eind vorig jaar is daartoe een Living Lab opgericht, een netwerk van boeren, overheden, kennisinstellingen, natuurorganisaties en burgers, die nieuwe verdienmodellen zoeken voor boeren die “weidevogelvriendelijk” willen boeren.

 

Typemachine

Aan tafel in de keuken van hun kop-hals-rompboerderij zitten boerin Coba (53) en haar man Jochum (53) de Vries. Rondom groene weilanden, waar af en toe een zwaluw overheen scheert. Ze zijn de vierde generatie die op de pachtboerderij in Wieuwert boert. Ze hebben 110 koeien op 68 hectare. En ja, zegt Coba de Vries, ze beseft dat het landschap de afgelopen dertig jaar veranderd is. Maar de grote, groene raaigrasvelden ziet zij vooral als een ontwikkeling, die de boerenbedrijven de afgelopen decennia doormaakten. Een verlangen naar kleurige weilanden van vroeger vindt ze misplaatste romantiek. “We zitten nu ook niet meer achter een typemachine. Stilstand is achteruitgang. Je wilt vooruit, net als iedereen.” Hoewel, wat heet vooruit? In de jaren tachtig toen ze de pleats overnamen van Jochums vader, kregen ze meer dan 80 cent voor een liter melk. Nu is dat nog maar 25 cent. Burgers zouden zich meer moeten verdiepen in de bedrijfsvoering van veehouders in plaats van allerlei ongenuanceerde oneliners de wereld in te slingeren, meent ze. Haar man Jochum geniet van “mooi raaigras”. “Als ik het zie, denk ik: dat land produceert. Gras is inkomen.”  

Van wie is het landschap? “Van ons,” zegt hij direct. “Wij hebben er voor betaald.” Maar is het landschap niet van alle Friezen? De Vries: “Mensen vergeten dat het onze boterham is. Wij produceren voedsel. En veel consumenten willen niet extra betalen voor bijvoorbeeld weidemelk van koeien die buiten staan.”

Als natuurman liggen de weidevogels hem na aan het hart. Ziet hij een gruttokuiken in het weiland, dan stopt hij zijn maaimachine en brengt het vogeltje naar een weiland, waar het gras nog niet gemaaid is. Waar hij vervolgens ziet hoe het wordt opgegeten door een roofvogel of meeuw. Dat zijn de echte boosdoeners: predatoren die weidevogelkuikens oppeuzelen, zegt hij fel. Het gaat hem als vogelman en aaisiker (kievitseierenzoeker) aan het hart. “Maar predatoren als roofvogels bejagen mag niet meer.”

Buiten loopt hij met Coba door de regen in het drassige weiland tussen zijn vee. “Wij hebben onze koeien vanaf april tot oktober buiten staan. Koeien horen in de wei, vinden wij.” In het aangrenzende maisland vliegen tureluurs, scholeksters en kieviten. “De kieviten hebben nog jongen. Hun derde leg, denk ik.”

 

Duivennesten

 “Industrielandschap”, is het korte oordeel van boerenzoon en agrarisch socioloog Andries van Weperen (68) uit Leeuwarden, als hij naar de vlakke, groene weilanden tuurt. “Er groeit niks, behalve raaigras.” In Haule is hij weer even terug op de plek van het landschap van zijn jeugd. Hier bezaten zijn opa en later vader in de jaren vijftig en zestig 24 hectare land. ‘Het was een gemengd bedrijf. We hadden koeien, maar verbouwden ook haver, rogge, aardappelen en voederbieten. Mijn vader had een vaste arbeider en ze molken met de hand.”

Een verweerd asfaltwegje voert door het weiland. In de verte, op de grens van zand en veen, loopt het riviertje de Tjonger. “Dit was vroeger een zandpad, waar mijn vader met paard en wagen reed,” herinnert hij zich nog goed. “En uit die hulstboom haalden we de duivennesten leeg.” Hoe het landschap eruit zag toen? “Prachtig”, roept hij uit. “Er groeide hier van alles, het was een zee van kleur en geluid. Doordat de bodem vochtig was door de hoge waterstand bloeiden er veel boter- en dotterbloemen, paardenbloemen, maar ook klaver, ridderzuring en distels, die trouwens werden getrokken. Je hoorde eksters en grutto’s, kemphanen en leeuweriken. Ook struinden er patrijzen en fazanten rond. Die leefden van het graan dat op de akkers achterbleef” Zijn ogen worden nat. Hij beseft dat het een emotionele herinnering is. Dat het nostalgie is. “Het woord landschapspijn is goed gekozen. Dat voel ik ook.”

Hij somt op: de productie van voedsel tegen een lage kostprijs, de mechanisatie, automatisering, het Europese landbouwbeleid met ruilverkaveling en marktbescherming, het leidde tot goedkoop voedsel waar de consument om vroeg. Daarom veroordeelt hij de boeren niet, al vindt hij dat ze moeten stoppen met hun verhaal dat ze “vreselijk nodig zijn om de wereld te voeden”. “Je moet daar produceren waar landbouwgrond goedkoop is, zoals bijvoorbeeld in Oekraïne.” Van Weperen vindt dat zeker een kwart van Friesland alleen uit natuurlijke landbouw zou moeten bestaan. “De consument wil best een paar centen meer betalen voor biologische melk. En de boer krijgt dan een goede prijs voor zijn product.”

Van wie is het land? “ Van ons allemaal,” antwoordt hij. “Ik geloof niet in een scheiding van boer en burger. De burger heeft belang bij de instandhouding van een leefbare wereld. De boeren zijn ook maar rentmeesters. Ze moeten niet denken dat ze Jezus zijn.”